Geo-Lexicon

Geokring Lexicon

Aambeeld
Het middelste van de drie beentjes in het binnenoor van gewervelde dieren.

 

Aarsvin
Een niet-gepaarde vin aan de ventrale achterzijde van een vis.

 

Accessoire mineralen
Mineralen die niet meer dan 1 à 2 procent van een gesteente uitmaken.

 

Actualiteitsprincipe
Opvatting dat 'het heden de sleutel tot het verleden is', waarbij wordt aangenomen dat processen in het verleden op dezelfde manier zijn verlopen als tegenwoordig het geval is.

 

Afbraakorganismen
Organismen die voedsel verkrijgen door overblijfselen en afvalproducten van dieren af te breken.

 

Afdruk
Een afdruk van de buitenzijde van een organisme.

 

Afgietsel
Een verharde afdruk van de binnen- of buitenzijde van een fossiel.

 

Agnathan
Primitieve kaakloze vis, als de lamprei.

 

Alkaligesteenten
Eruptieve gesteenten die een aanzienlijke hoeveelheid basen bevatten.

 

Alkalische metalen:
K, Na/Li, Rb, Cs.

 

Alluviaal
Heeft betrekking op sedimenten die afgezet zijn door een rivier of beek.

 

Alveole
Conische holte in rostrum hij belemnieten.

 

Ambulacrum (mv. Ambulacra)
Ambulacraalveld, d.w.z. deel van het skelet van stekelhuidigen waarin de voetjes van het watervaatstelsel zijn gelegen.

 

Amfibie
Gewerveld dier, behorende tot de klasse van de amfibieën, dat zowel in water als op land leeft. Voorbeeld: de kikker en de watersalamander. Amfibieën leven als jong in het water en ademen door kieuwen. Volwassen dieren ademen door middel van longen.

 

Amfiboliet
Metamorf gesteente dat vooral uit amfibool bestaat.

 

Amorf
Zonder een kristallijne atoomstructuur.

 

Anale buis
Buisvormig uiteinde van het spijsverteringskanaal bij zeelelies.

 

Anaërobisch
De afwezigheid van zuurstof, of het vermogen om in een zuurstofvrije omgeving te leven. Voorbeeld: de anaërobische bacterie.

 

Andesiet
Eruptief, neovulkanisch gesteente dat wat de samenstelling betreft overeenkomt met dioriet.

 

ångström
Een lengte-eenheid gelijk aan een honderdmiljoenste deel van een centimeter.

 

Anisotropie
Variatie in de eigenschappen van een stof, afhankelijkvan de richting waarin het onderzoek gedaan wordt.

 

Anticline
Boogvormige plooi in een gesteenteformatie.

 

Apicaal veld
Centraal veldje, boven op de zeeëgelschaal, waar vandaan de ambulacra uitstralen. Ook topschild genoemd.

 

Apofyse
Vertakking van een oppervlakkige of diepe magmatische massa.

 

Aptien
De vijfde van de zes etages van het Krijt.

 

Aragoniet
Een kristallijne vorm van calciumcarbonaat.

 

Arkose
Sedimentair gesteente dat vooral uit kwarts en veldspaat bestaat.

 

Armklep
De dorsale klep van een brachiopode.

 

Arthropode
Ongewerveld dier, lid van de stam der geleedpotigen, met een uitwendig skeletlichaam in segmenten en gelede poten. Voorbeeld: insekten en fossiele trilobieten.

 

Asterisme
Een optisch verschijnsel in een edelsteen, waardoor een vier- of zes-stralige ster zichtbaar is.

 

Avicularia (mv.)
Bepaalde individuen in de mosdiertjeskolonie die defensieve taken vervullen.

 

Aventurinisatie
Schittering die veroorzaakt wordt door zeer kleine deeltjes mica (glimmer) of hematiet, ingesloten in kwarts.

 

Baarddraad
Een dun uitsteeksel met tastzintuigen bij de bek van een aantal vissen.

Basalt
Neovulkanisch eruptief gesteente dat wat de samenstelling betreft overeenkomt met gabbro.

Basische gesteenten
Eruptieve gesteenten die minder dan 52% SiO2 bevatten.

Beentjes van Weber
Een keten van drie of vier beentjes die de zwemblaas verbinden met het binnenoor van een aantal vissen.

Benthonisch
Levend op de zeebodem.

Biomassa
Het totale gewicht of volume van organisch materiaal in een bepaald gebied.

Bivalve (tweekleppige)
Ongewerveld dier uit de klasse der tweekleppige schelpdieren, met een uit twee met elkaar verbonden helften bestaande schelp.

Boreaal
Gebonden aan een koud klimaat.

Borstvin
Gepaarde vin achter de kieuwen bij vissen.

Brachiole
Op een arm gelijkend aanhangsel bij sommige stekelhuidigen, o.a. blastoïden en cystoïden.

Breccie
Uit hoekig materiaal samengesteld gesteente.

Breccië
Conglomeraat van brokjes gesteente in natuurlijk cement.

Brekingsindex
Belangrijke constante die staat voor de optische dichtheid van een stof.

Breuk
Een splitsing van een kristal langs een ander vlak dan een splijtvlak of het deelvlak dat contacttweelingen gemeen hebben; de vorm van het breukvlak is vaak kenmerkend voor een mineraal.

Buikvin
Een van de gepaarde vinnen op de buik bij vissen.

Buikzijde
De buitenbocht van de gespiraliseerde schaal bij o.a. nautiloïden en ammonoïden.

Bunodont
Verschijnsel waarin een molaar afgeronde knobbels en knobbeltjes heeft.

Byssus
Bundel elastische hechtdraden bij tweekleppigen.

 

Cabochon
Een ronde (=zonder facetten) slijpvorm voor een edelsteen.

Callus
Calcietlaag die slakken soms op de buitenzijde van de schelp afzetten, ook eelt genoemd.

Capitulum
Bij eendemossels; met skeletplaten verstevigd 'kopgedeelte' dat de voedselvergarende aanhangsels beschermt.

Carapax
Bij vertebraten rugschild; bij kreeftachtigen en Chelicerata het rugschild van het kop- en borststuk.

Cementatielaag
Laag die verrijkt is met ertsafzettingen.

Cephalon
Het kopgedeelte van een trilobiet.

Cephalopode (koppotige)
Ongewerveld dier uit de klasse der Cephalopoda, met goed te onderscheiden kop, ogen en met tentakels rond de bek. Voorbeeld: fossiele ammonieten en de tegenwoordig voorkomende octopus.

Cephalothorax
Vergroeid kop- en borstschild bij geleedpotigen.

Cerci
Staartdraden met tastzintuigen bij geleedpotigen.

Chatoyantie, of katoogeffect
Een optisch verschijnsel, waardoor een rechte streep in een edelsteen zichtbaar is.

Cheliceren
De bijtende mondaanhangsels bij spinachtigen.

Chevron-beenderen
Een paar beenderen, vaak in een Y-vorm vergroeid, die onder de staartwervels bevestigd zijn.

Chitine
Hoornachtige substantie waaruit het skelet van geleedpotigen geheel of deels bestaat.

Chorda Dorsalis
(notochord), bij vissen boven de ruggemergstreng gelegen staafvormige, gelatineuze massa met stevige membraan, die zich over de hele lengte van het dier uitstrekt en steun geeft weke delen en aanhechtingsmogelijkheid biedt aan de spieren.

Chloroplast
Kleine organellen met chlorophyl, die betrokken zijn bij fotosynthese van planten.

Chordata
Lid van de stam der Chordata, waaronder alle dieren vallen met in een bepaald stadium van hun ontwikkeling een skeletachtige streng, de notochorda.

Ciliën
Dunne draadachtige uitsteeksels van de celwand.

Cirri
Staafvormige aanhangsels bij bepaalde dieren; de gepaarde aanhangsels van het borststuk bij zeepokken.

Coelenteraten (holtedieren)
Ongewerveld dier, lid van de stam der Coelenterata, dieren met een veelstralige symmetrie. Voorbeeld: zeeanemoon, kwal en koralen.

Columella
De centrale zuilstructuur in de gespiraliseerde schelp van een slak; de centrale zuil in de theca van koralen.

Columnalia
Stengelleedjes van zeelelies.

Commissuur
Raaklijn waarlangs de kleppen op elkaar vallen bij tweekleppigen en brachiopoden.

Compressiefossiel
Fossiele plant (of plantedeel) dat is platgedrukt en waarvan de organische stof grotendeels of geheel is veranderd in koolstof (inkoling/verkoling).

Concretie
Een bolvormige of schijfvormige massa in sedimentgesteente, dat gevormd wordt door een plaatselijke samenklontering van de aanwezige mineralen.

Condensor
Bepaalde op- en instelling van de lenzen in de microscoop waardoor de lichtstralen geconcentreerd worden.

Conglomeraat
Samengesteld gesteentemateriaal uit aaneengekitte, afgeronde steentjes.

Continentaal plat
Deel van het continent dat tot een diepte van 200 meter beneden de zeespiegel ligt.

Coprolieten
Fossiele uitwerpselen (excrementen).

Cornua
Een hoornachtige structuur bij vissen.

Covalente binding
Een atoombinding, door het samen delen van elektronen dichroïsme - zie pleochroïsme.

Coxa
Basale geleding van een poot, scharnierend met het lijf bij geleedpotigen.

Cuticula
De verharde oppervlaktelaag van het uitwendig skelet bij geleedpotigen.

Cyanobacterie
Prokaryote blauwgroene algen met fotosynthese, betrokken bij de formatie van stromatolieten.

Cyste
Dikwandige resistente plantecel.

 

Demospons
Spons van de klasse Demospongia, 'Gewone' sponzen.

Dentale
Het onderkaaksbeen van gewervelde dieren.

Dentikel
Een kleine, tandachtige structuur.

Diabaas
Paleovulkanisch gesteente dat wat de samenstelling betreft overeenkomt met gabbro.

Diagenetisch proces
Omvorming die leidt tot de versteviging van een van oorsprong bros gesteente.

Dichtheid
De massa per volume-eenheid van een stof; deze term wordt bij voorkeur gebruikt om het soortelijk gewicht (s.g.) van een vloeistof aan te duiden.

Differentiatie van magma
Fysische en chemische processen die leiden tot de scheiding van oorspronkelijk homogeen magma ('stammagma') in scheikundig verschillende magma's.

Dioriet
Diep magmatisch gesteente dat bestaat uit plagioklazen en donkere mineralen (amfibool, pyroxeen).

DNA (Deoxyribonucleic acid)
Groot spiraalvormig molecuul dat één chromosoom bevat, waarin alle genetische informatie is opgeslagen.

Detritus
Kleine deeltjes organisch materiaal.

Diagenese
Het proces waarbij de omvorming van een sediment tot verhard gesteente plaatsvindt.

Diastema
De ruimte tussen twee verschillende tandtypen.

Diluviaal/diluvialist
Heeft betrekking op de zondvloed zoals in Genesis is beschreven; iemand die gelooft dat bepaalde geologische verschijnselen aan de hand van de zondvloed verklaard kunnen worden.

Dissepiment
Steunplaatje ter versteviging van de bouw van het skelet, bij koralen en bepaalde graptolieten.

Dodengemeenschap (taphocenose)
Organismen die buiten hun oorsprongsgebied zijn gefossiliseerd.

Doornuitsteeksel
De blad- of staafvormige structuur aan de dorsale zijde van een wervel.

Dorsaal
Aan de rugzijde gelegen.

Dorso-Ventraal afgeplat
Van rug- naar buikzijde afgeplat.

Draaier
Bij gewervelde dieren het eerste of tweede element van de wervelkolom.

Echinodermaten/stekelhuidigen
Ongewerveld dier, behorend tot de stam der stekelhuidigen, met een skelet uit kalkplaten of uit kalk of kiezelnaaldjes. Het dier heeft een vijfstralige symmetrie. Voorbeeld: zeeëgel.

Dubbele breking
Het verschijnsel dat een invallende lichtstraal wordt gesplitst in twee gebroken stralen.

Ecologie
Studie die zich bezighoudt met de samenhang tussen planten, dieren en hun natuurlijke omgeving.

Ecosysteem
Een ecologisch systeem binnen een bepaald natuurlijk milieu, zoals een tuinvijver, maar ook oceanen.

Ectotherm
Koudbloedig dier dat de lichaamstemperatuur door actief handelen constant houdt door bij warmte de schaduw op te zoeken en bij kou de zon. Voorbeeld: reptielen.

Elementaire cel
Het grondpatroon van een kristal, het bestaat uit het kleinst mogelijke aantal atomen, zodanig gerangschikt, dat herhaling hiervan in alle richtingen tot de uiteindelijke vorm van het kristal leidt.

Endogeen proces
Proces dat zich binnen in de aarde afspeelt.

Endotherm
Warmbloedig dier dat door zijn stofwisseling passief de lichaamstemperatuur constant kan houden. Voorbeeld: zoogdieren.

Enkaryote
Plant of dier met cellen met een duidelijke kern die het genetisch materiaal bevat.

Entoplastron
De mediane beenplaat van het buikschild van schildpadden.

Epidermis
De niet-doorbloede, ongevoelige bovenlaag van de huid (opperhuid) van gewervelde dieren.

Epiplanktonisch
Zwevend in de waterlaag tussen het oppervlak van de zee tot ca. 200 m diepte.

Epiplastron
Een van de beenplaten aan de voorzijde van het buikschild van schildpadden.

Epistomium
Bij kreeftachtigen het gebied (en de ventraalplaat) waarin mond en tweede antenne zijn gelegen.

Evoluut
Los gespiraliseerd.

Exogeen proces
Proces dat zich afspeelt door invloeden van buitenaf.

Exoskelet
Het harde pantser bij geleedpotigen.

 

Faciës
Karakter van de lagen van de aardkorst. Totaal van eigenschappen die bepalend zijn voor het milieu waarin gesteenten gevormd worden.

Fantomen
Vroegere kristallijne vormen die in het kristal nog zichtbaar zijn.

Filteraar
Een organisme dat voedselpartikels uit het water filtert.

Flagel
Een zweepvormig aanhangsel.

Fluorescentie
De uitstraling van zichtbaar Iicht onder invloed van een bestraling (al of niet zichtbaar) van een kortere golflengte, zoals ultraviolette (UV) lichtstralen of door röntgenstralen; als de uitstraling voortduurt nadat de stimulerende straling is beëindigd spreekt men van fosforescentie.

Fonoliet
Eruptief, neovulkanisch alkaligesteente dat wat de samenstelling betreft overeenkomt met nefelien syeniet.

Fosforescentie
Zie fluorescentie.

Fossiel
Geconserveerde overblijfselen of sporen van leven van minstens 10.000 jaar oud.

Fossiele levensgemeenschap (biocenose)
Verzameling fossielen van een levensgemeenschap die geconserveerd is op de oorspronkelijke plaats.

Fossielenbestand
Bewijs van vroeger leven, in de vorm van fossielen beschikbaar.

Fotosynthese
Het proces waarin met behulp van zonlicht in de chloroplasten van planten suikers worden geproduceerd.

Frontale
Bij gewervelde dieren, een van een paar schedelbeenderen.

 

Gabbro
Diep, basisch gesteente dat bestaat uit basische plagioklazen van pyroxenen, amfibolen en olivijnen.

Gastropoda
Klasse van ongewervelde dieren, gewoonlijk met een gedraaide kalkschelp. Voorbeeld: slakken.

Gebande ijzerertsformaties
Opeenvolging van gesteentelagen van afwisselend ijzerrijke en ijzerarme chemisch gevormde sedimenten.

Gecreneleerd
Voorzien van kerfjes, kanteelvormig.

Gelatineus omhulsel
Een gelatineuze stof in een aantal planten aangetroffen, die door deze afgescheiden kan worden.

Genale hoek
Niet-gestekelde hoek van de wang bij trilobieten.

Genale stekel
Tot een stekel verlengde hoek van de wang bij trilobieten.

Genus
Geslacht

Geode
Holte in een gesteente of een ader die deels of geheel opgevuld is door gekristalliseerde mineralen.

Gepolariseerd licht
Licht dat slechts in één vlak trilt, welke trillingen loodrecht staan op de voortbewegingsrichting.

Geslachtsdimorfie
De situatie waarbij organismen van het mannelijke en het vrouwelijke geslacht verschillen van vorm.

Gesteentevormend
Dieren of planten die in zulke grote hoeveelheden voorkomen dat zij het merendeel van een gesteente vormen.

Gezichtsnaad
Groeve over het kopschild van een trilobiet, waarlangs de huid bij vervelling opensprong.

Gewerveld dier
Dier met wervelkolom.

Gidsfossiel
Een fossiele soort die kenmerkend is voor een bepaalde laag van de aardkorst en slechts een beperkte tijd voorkwam.

Glabella
Bij trilobieten het centrale deel van het kopschild.

Glans
De weerschijn op het oppervlak van een mineraal; de mate waarin die weerschijn zich aan het oog voordoet.

Glauconietisch
Een matrix die het mineraal glauconiet bevat, hetgeen aangeeft dat deze matrix onder mariene omstandigheden werd gevormd.

Gonaden
Geslachtsklieren

Gordel
Bij gewervelde dieren de constructie van beenderen die de ledematen ondersteunt; bij keverslakken de zoom rond de schelpstukken.

Graniet
Magmatisch gesteente uit het diepste der aarde; kaliveldspaat heeft in dit gesteente de overhand op zuur plagioklaas; graniet bevat veel kwarts.

Greisen
Resultaatvan pneumatolitische verandering van graniet.

Groeilijnen
Lijnen die de verschillende perioden van groei aangeven.

Gossan (Eng.)
Oxydatiezone van metaaladers.

 

Habitus
De gewone verschijningsvorm van een mineraal, die kenmerkend kan zijn voor een bepaalde vindplaats.

Halteren
Bij vliegen: de tot evenwichtskolfies gereduceerde achtervleugels.

Hamer
Het meest buitenwaarts gelegen beentje van het binnenoor van gewervelde dieren.

Heterocerke staartvin
Een vissestaart met ongelijke lobben (asymmetrisch).

Homocerke staartvin
Een vissestaart met gelijke lobben (symmetrisch).

Huidpantser
De benige platen in de huid van een aantal gewervelde dieren.

Huidtand
Een tandachtige structuur in de huid van haaien.

Hydrothermaal mineraal
Mineraal dat ontstaat - neerslaat - uit oplossingen in heet water.

Hydrothermale processen
Geologische processen, waarbij heet water is betrokken, gepaard gaande met vulkanische activiteit.

Hyoplastron
De gepaarde, tweede laterale beenplaat van het buikschild van schildpadden.

Hypergeen proces
Natuurlijk verweringsproces dat zich afspeelt in de bovenste laag van de aardkorst, in de atmosfeer of in de hydrosfeer.

Hypidiomorf kristal
Gedeeltelijk ontwikkeld kristaI.

Hypogeen mineraal
Mineraal uit de diepte.

Hypoplastron
De gepaarde, derde laterale beenplaat van het buikschild van schildpadden.

 

Idiomorf
Volledig begrensd door de eigen kristalvlakken.

 

Impregnatie
Doordringing: het opvullen van de fijne gaatjes van een gesteente of een erts door mineralen die later ontstaan.

 

Impressie
Fossiele indruk van een plant, de plant zelf is niet meer aanwezig.

 

Infiltratie-afzettingen
Afzettingen of lagen die ontstaan door het neerslaan van mineralen die hun minerale gehalte gekregen hebben door uitspoeling van het aardoppervlak of van oudere lagen die dichter bij het oppervlak liggen.

 

Interambulacrum
Interambulacraalveld, d.w.z. het deel van het skelet van stekelhuidigen dat tussen de ambulacra is gelegen.

 

Interarea
Het klepdeel tussen wervel en slot bij tweekleppigen en brachiopoden.

 

Interradialia
Ruitvormige platen in de kelk bij blastoïden.

 

Intrusie-gesteenten
Gesteenten die ontstaan zijn doordat magma in de bovenste delen van de aardkorst gedrongen en daar gestold is.

 

Invertebraten
Ongewervelde dieren (Invertebrata).

 

Ionenbinding
Een binding tussen twee atomen, doordat elektronen van het ene naar het andere atoom overgaan.

 

Isomorf
Dezelfde atoomstructuur hebbend, maar verschillend in chemische samenstelling.

 

Isomorfie
Uitwisseling (wederzijdse vervanging) van elementen en radicalen met dezelfde eigenschappen (bijvoorbeeld Ca-Na in plagioklazen, Ca-Mg in carbonaten).

 

Isotropie
Natuurkundige eigenschappen die in een bepaald milieu in alle richtingen gelijk zijn.

 

Jukboog
Een beenspang bij zoogdieren aan de zijkant van de kop onder het oog.

Kalkhoudend
Is samengesteld uit of bevat calciumcarbonaat (CaCO3).

Kalkplaatjes
De losse plaatjes waaruit het skelet van stekelhuidigen is opgebouwd.

Kalksteen
Sedimentair gesteente dat voor meer dan de helft uit calciumcarbonaat bestaat.

Karaat
a. gewichtseenheid voor edelstenen: 1 karaat = 0,2 gr;
b. eenheid waarin het gehalte van goud wordt uitgedrukt: 24 karaat = zuiver goud

Kardinale tanden
De centrale tanden waarmee de kleppen van brachiopoden en tweekleppigen scharnieren.

Kelk
Bekervormige structuur bij veel stekelhuidigen, bij koralen het woonkamertje van de poliep boven in de buisvormige theca.

Kenozoïcum
De vierde era in de geschiedenis van de Aarde, tussen 65 en 2 miljoen jaar geleden.

Kiezelzuur, silicaat
SiO2 als kwarts of kiezel, overvloedig aanwezig in de natuur.

Kriskras-gelaagdheid/laminatie
Onder verschillende hoeken afgezette lagen dikker dan 1 cm, of laminaties dunner dan 1 cm.

Knobbel
Het uitsteeksel op het kauwvlak van een tand.

Knol
(biol.): Een verdikte ondergrondse wortel of stengel van een plant; (geol.): Een betrekkelijk klein, afgerond, vaak onregelmatig gevormd lichaam bestaande uit een mineraal of uit een aggregaat van mineralen, dat anders van samenstelling is dan het gesteente waar het in voorkomt.

Knopen
Bij planten het aanhechtingspunt van het blad.

Kolletzijde
De zijde van een gefacetteerde edelsteen, waar zich het kollet bevindt; dit is het onderste geslepen vlak.

Kolonie
Een verzameling van met elkaar samenhangende organismen die uit een individu zijn voortgekomen.

Koralliet
Ook theca, het skelet van een afzonderlijk individu uit een kolonievormend koraal.

Kraakbeen
Sterk gespecialiseerd weefsel dat hard, maar buigzaam is.

Kroonzijde
De zijde van een gefacetteerde steen waar zich de kroon (of tafelvlak) bevindt; dit is het bovenste geslepen vlak.

Kryptokristallijn
Bestaande uit afzonderlijke kristallen, die alleen onder vergroting waarneembaar zijn.

Kwartsiet
Gesteente dat ontstaat door de metamorfose van zandsteenlagen.

Labiaal
Behorend tot de lippen.

Labiale stekels
Doornvormige uitsteeksels aan de buitenlip van de schelp bij sommige gastropoden.

Labradorescentie
SpeciaaI kleurverschijnseI (grijs- tot groenblauwe spiegeling) op de splijtvlakken van labradorieten.

Lamellen
Mineraallagen, die herinneren aan de bladzijden van een boek, veelal ontstaan door herhaalde tweelinggroei.

Lantaarn van Aristoteles
Het vijfzijdig symmetrische kauwapparaat van regulaire zeeëgels dat de mondopening omgeeft en ook dient voor de voortbeweging.

Lateraal
Aan de zijkant gelegen.

Latewrale tanden
De tanden die naast de kardinale tanden liggen in de kleppen van brachiopoden en tweekleppigen.

Lateritisatie
Verweringsproces dat zich afspeelt in een tropisch klimaat, waarbij het gesteente SiO2 en basen verliest en verrijkt wordt met Al203.

Levend fossiel
Een plante- of diersoort die vrijwel geen wijzigingen heeft ondergaan in de loop van miljoenen jaren.

Lichtbreking
De richtingsverandering van een lichtstraal, wanneer deze van het ene medium (bijv. lucht) in een ander medium (bijv. een mineraal) overgaat.

Ligament
Elastische band aan de buitenzijde van het slot, die de kleppen verbindt bij tweekleppigen en brachiopoden.

Limnisch
Met betrekking tot een meer, zoetwater

Lophus
Een kam of richel.

Lunula
Een halvemaanvormige opening in de schaal van sommige zeeëgels.

 

Macroconch
De grootste van de twee schelpen bij ammonieten met geslachtsdimorfie, naar men aanneemt de vrouwelijke schelp.

Mandibula
Bij gewervelde dieren de onderkaak; bij geleedpotige dieren de mondaanhangsels die voedsel vasthouden of afbijten.

Magma
1. Gloeiend vloeibaar materiaal dat beneden de aardkorst wordt gevormd.
2. Gloeiendhete, gesmolten massa van silicaten dat steeds minder vluchtige bestanddelen bevat.

Magmatisme
Veranderingsprocessen die zich afspelen op verschillende diepten, onder verschillende druk en bij verschillende temperaturen (en die vergezeld gaan van chemische processen).

Mantel
De buitenwand van het lijf die de schelp afscheidt bij bepaalde ongewervelde dieren.

Mantelholte
De holle ruimte tussen de mantel en de rest van het lijf bij tweekleppigen en cephalopoden.

Mantellijn
Bij tweekleppigen de lijn die aan de binnenzijde van de klep parallel loopt met de kleprand en is veroorzaakt door de aanhechting van de mantel.

Matrix, of moedergesteente
Het materiaal waarop een organisme is terechtgekomen of is ingebed.

Mediaan
In het vlak gelegen dat het dier verdeelt in twee helften, die elkaars spiegelbeeld zijn.

Meiose
Proces van celdeling bij de productie van eieren en zaden bij de voortplanting, door middel van het opsplitsen van de oudercel in vier dochtercellen met kernen, waarin de helft zit van het aantal chromosomen in de oudercel.

Melafier
Paleovulkanisch eruptief gesteente dat wat de samenstelling betreft overeenkomt met gabbro.

Mergel
Fijnkorrelige kalk met klei.

Mesoplastron
Een van een paar beenplaten van het buikschild van schildpadden, tussen het hyoplastron en hypoplastron in.

Mesozoïcum
De derde era in de geschiedenis van de Aarde, van 230 tot 65 miljoen jaar geleden.

Metamorf gesteente
Sediment- of stollingsgesteente dat door temperatuur- en/of drukverhoging van samenstelling en structuur is veranderd.

Metamorfose
De verandering in de structuur van een organisme tijdens / na diens ontwikkeling.

Metamicte mineralen
Mineralen die met behoud van hun uiterlijke kristallijne vorm overgaan in een toestand die lijkt op die van vaste colloiden. Metamicte ontleding neemt men waar bij mineralen die radioactieve elementen (vooral U en Th) bevatten.

Metatarsalia
Voetwortelbeentjes; beentjes van de enkel.

Microconch
De kleinste van de twee schelpen bij ammonieten met geslachtsdimorfie, naar men aanneemt de mannelijke schelp.

Microsculptuur
De kleinere sierelementen op schelpen, kalkschalen en beenplaten.

Mitochondria
Kleine organellen in diercellen die betrokken zijn bij de productie van suikers, die in energie worden omgezet.

Mitosea
Proces van celdeling bij a-seksuele voortplanting, waarbij de oudercel zich opsplitst in twee dochtercellen met kernen, waarin hetzelfde aantal chromosomen zit als in de oudercel.

Mol, of grammolecule
Het gewicht van een stof dat, wanneer uitgedrukt in grammen, gelijk is aan het moleculair gewicht; een mol koolstof (moleculair gewicht 12) weegt 12 gram.

Molaar
Ware kies bij zoogdieren; deze onderscheidt zich van de premolaar doordat hij ontbreekt in het melkgebit en doordat hij meestal groter is en een beter ontwikkelde kroon heeft dan de premolaar.

Mondopening
De opening die bij weekdieren wordt gevormd door de rand van de schelp.

Monochromatisch licht
Licht van slechts één golflengte (dit is het licht van één enkele, zuivere kleur).

Monticulus
Heuveltje aan het oppervlak van een mosdiertjeskolonie.

Morfologie
De structuur en vorm van planten en dieren.

Mudstone
Silt-kleigesteente met weinig of geen zandkorrels.

 

Nema
Draadvormig dorsaal uitsteeksel van de sicula dat dient voor het vasthechten van een graptolietenkolonie aan een drijvend voorwerp.

Neolithicum (nieuwe steentijd)
Deel van het Pleistoceen, waarin de ontwikkeling van de landbouw heeft plaatsgevonden.

Neotenie
Verschijnsel waarin de ontwikkeling van een dier ophoudt in het stadium waarin het nog niet volwassen, maar wel geslachtsrijp is.

Neritische zone
Zeegebieden van het continentaal plat, d.w.z. tot ca. 200 m diepte.

Neurale boog
Het bovenste deel van een wervel.

Neurale kanaal
Kanaal waarin zich het ruggemerg bevindt.

Neuralia
Een reeks mediane beenplaten op het rugschild van schildpadden.

Nicol-prisma
Een filter dat gebruikt wordt om gepolariseerd licht te verkrijgen; het is gemaakt met behulp van IJslandspaat, een variëteit van calciet.

Notochorda
Dunne slijmerige streng als ondersteuning van het lichaam in een juveniel stadium bij primitieve Chordata; tevens bij volwassen dieren.

 

Occipitale
Bij gewervelde dieren het been dat doorgang omgeeft van het ruggemerg naar de schedel.

Occlusaal vlak
Het snij- of kauwvlak van een tand.

Occlusie
Het in elkaar grijpen van de gebitsonderdelen van de onder- en de bovenkaak.

Ongewerveld dier
Dier zonder wervelkolom.

Ontgassing
Uitstoten van vluchtige gassen bij afkoeling van magma.

Oortje
Vleugelvormige lob naast het slot bij tweekleppige schelpen.

Opalescentie
Kleurenspel dat je vooral in opaal waar kunt nemen.

Operculum
Sluitdekseltje, bij gastropoden eenstevig plaatje op de voet, dat dient om de mondopening af te kunnen sluiten.

Ornithischia
Dinosauriërs waarvan de bekkenbeenderen een driehoek vormen, net als bij de vogels.

Ornithopoden
Een dinosauriërgroep met het bekken van de Ornithischia.

Orogenese
Gebergtevormende periode.

Otoliet
Een kalkhoudende concretie in het oor van hogere vissen.

Oxydatiezone
Bovenste deel van een afzetting dat ontstaan is door de ontleding van primaire mineralen.

 

Paleolithicum (oude steentijd)
Deel van het Pleistoceen, waarin de mens voor het eerst stenen gebruiksvoorwerpen maakt.

Paleovulkanisch gesteenten
Eruptief gesteente dat voor het Tertiair gevormd is.

Paleozoïcum
De tweede era in de geschiedenis van de Aarde, van 600 tot 230 miljoen jaar geleden.

Paletten
De hulpklepjes waarmee bepaalde tweekleppigen hun boorgang aan de bovenzijde kunnen afsluiten.

Paragenese
Het naast elkaar voorkomen van mineralen die in de loop van eenzelfde kristallisatieproces ontstaan zijn.

Parelmoer
Dungelaagde vorm van calcium-carbonaat (aragoniet), afgescheiden door de mantel bij weekdieren.

Parelmoerlaag
De binnenste laag van parelmoer van de schelpwand bij weekdieren.

Pedipalpen
Eerste gepaarde aanhangsels achter de mondopening bij Chelicerata.

Pedunculus
Steel die het grootste deel van het lichaam draagt bij bepaalde ongewervelde dieren.

Peridotieten
Groep van ultrabasische gesteenten waarin olivijn overheerst.

Periostracum
Buitenste laag van de schelpwand, bestaande uit hoornachtig materiaal.

Permafrost
Permanent bevroren bodemlaag.

Phragmocoon
Het gekamerde deel van de schelp van cephalopoden, dat door septa in kamers is ingedeeld en waar de sipho doorheen loopt.

Picriet
Ultrabasisch gesteente dat voornamelijk uit olivijn, augiet en ambifool bestaat.

Pinakoïed
Een stel evenwijdige kristalvlakken, onderscheiden als: basaal-pinakoïed als de vlakken loodrecht op de verticale kristallografische as staan; brachypinakoïed als de vlakken evenwijdig aan de kortste horizontale as lopen; macropinakoïed als de vlakken evenwijdig aan de langste horizontale as lopen.

Pinnula
Zijtakje aan de arm van zeelelies.

Piezo-elektrisch
Die onder druk een elektrische lading heeft.

Plaatselijk optredend
Slechts aangetroffen op een aantal specifieke plaatsen.

Plankton
Levende planten of dieren die niet of nauwelijks kunnen zwemmen en in het water zweven of drijven.

Planspiraal
In één vlak gespiraliseerd, bij schelpen van Gastropoda en Cephalopoda.

Plastron
Het buikschild van schildpadden.

Plia
Een plooivormige welving midden over de armklep van brachiopode gaat vaak samen met een sulcus op de steelklep.

Pleochroïsme
Het verschijnsel dat men verschillende kleuren ziet als men vanuit verschillende richtingen een kristal waarneemt; kristallen die niet meer dan 2 verschillende kleuren vertonen noemt men dichroïsch.

Pleotelson
Bij kreeftachtigen en Chelicerata de tot een waaiervorm vergroeide staart en achterlijfsaanhangsels.

Pleura
Zijwand van een lichaamssegment bij geleedpotige dieren.

Pleurale lobben
De naast de centrale as gelegen lobben bij trilobieten.

Pleurale stekel
Stekel aan de zijkant van de segmenten van de pleurale lobben bij trilobieten.

Pneumatolyse
Vorming van mineralen onder invloed van oververhitte stoom en vluchtige stoffen die uit magma ontsnappen.

Podia
Uitstulpbare voetjes van het watervaatstelsel bij stekelhuidigen.

Poliep
Een levend koraalindividu.

Polymorf
Een soort met meer dan een vorm.

Polymorfie
Eigenschap van een bepaalde stof om verschillende kristallijne vormen aan te nemen.

Porfier
Een stollingsgesteente, waarin -tegen een fijner korrelige achtergrond- relatief grote kristallen voorkomen die men fenokristen noemt.

Porseleinlaag
De buitenste schelplaag van cephalopoden, bestaande uit aragoniet met een organische bijmenging.

Premolaar
Valse kies bij zoogdieren, voor de molaren gelegen.

Presacrale wervels
Deel van de wervelkolom gelegen aan de voorzijde van de bekkengordel.

Prisma
In de kristallografie een open kristalvorm, waarbij de scheidingslijnen tussen de vlakken evenwijdig aan elkaar lopen.

Prismalaag
De middelste van de drie lagen waaruit een schelpwand bestaat, opgebouwd uit rechte of schuinstaande calcietprisma's.

Proboscis
Bij zoogdieren een buigzame, verlengde snuit; bij slakken de uitstulpbare mondbuis.

Prokaryote
Organisme met cellen zonder een duidelijke kern. Voorbeeld: blauwgroene algen en bacteriën.

Pronotum
Het halsschild, eerste dorsale schild van de romp bij insekten.

Propaar
Verwijst naar een gezichtsnaad bij trilobieten die de wang snijdt voor de genale hoek, in de zijrand.

Proximaal
Het dichtst bij.

Pseudomorf
Een kristallijne stof die de vorm van een ander kristal of lichaam heeft aangenomen, waar het het heeft vervangen; bijv. geopaliseerde schelp.

Pseudomorfosen
Kristallijne vormen van mineralen waarbij de oorspronkelijke materie door een andere is vervangen.

Pseudopelagisch
Verwijst naar de leefwijze van organismen, die vastgehecht aan drijvende voorwerpen in de zee leven.

Pygidium
Staartstuk van een trilobiet.

Pyriet
Goudkleurig mineraal, opgebouwd uit ijzersulfide.

Pyro-elektrisch
Die bij verhitting elektrisch geladen blijkt.

 

Quadratum
Het been dat bij een aantal gewervelde dieren het gewricht vormt tussen de schedel en de onderkaak.

Radiair
Vanuit een middelpunt volgens een spiraal verlopend.

Radius
Bij gewervelde dieren een van de onderarmbeenderen, het spaakbeen.

Radula
Met chitineuze tanden bezette plaat op de mondbodem van weekdieren, uitgezonderd tweekleppigen.

Recent mineraal
Mineraal dat in deze tijd gevormd wordt of nog niet zo lang geleden ontstaan is.

Red beds
Woestijnafzettingen, doorsneden door rivierbeddingen.

Reptiel
Gewerveld dier uit de klasse der Reptilia. Koudbloedig en met een geschubde huid, eierleggend. Voorbeeld: hagedissen en slangen.

Resilifer
Kuiltje of groeve op de slotplaat bij tweekleppigen waarin het resilium past.

Resilium
Bij tweekleppigen: in een groeve op de slotplaat gelegen kussentje van elastisch materiaal dat de kleppen uiteen drukt.

Reticulum
Een fijnmazig netwerk.

Ribben
Bij gewervelde dieren een deel van het rompskelet; bij schelpen de radiair uitstralende sculptuur.

Rostrum
Bij belemnieten een inwendig gelegen sigaarvormige structuur van voornamelijk radiair gelaagd calciet; bij ammonieten een ventrale uitstulping van de mondrand; bij slakken en tweekleppigen het uitstekend schelpdeel dat de sipho geleidt.

Rugvin
Een mediane, niet-gepaarde, verticale vin op de rug van aquatisch levende gewervelde dieren.

 

Sacculiet
De grootste otoliet in het binnenoor bij vissen.

Sacraal
Geassocieerd met de bekkengordel.

Sagittale kam
De mediane kam op het achterste gedeelte van de schedel.

Saurischia
Dinosaurus waarvan de bekkenbeenderen een trapezium vormen en op die van een reptiel lijken.

Sauropoden
Een dinosauriërgroep met het bekken van de Saurischia.

Schaambeen
Een van de gepaarde beenderen van de bekkengordel bij gewervelde dieren.

Scheurkies
Een molaar of premolaar die gespecialiseerd is voor het verscheuren van vlees.

Sclerotica ring
Een beenplaat in het oog van een aantal gewervelde dieren.

Sculptuur
Versiering van de schelp, het geheel van groeilijnen, ribben, knobbels en stekels.

Sedimentgesteente
Gesteente aan het aardoppervlak, ontstaan door bezinking van aangevoerd materiaal, bij voorbeeld zand of door chemische neerslag, bijvoorbeeld zout.

Selenizone
Spiraalband die wordt gevormd vanuit de sinus in de mondrand bij bepaalde primitieve slakken. Ook: sinusband.

Septum (mv. Septa)
Een dunne scheidingswand in kalkskelet of -schaal, o.a. bij koralen, brachiopoden en cephalopoden.

Serpentiniet
Gesteente dat voornamelijk uit serpentien bestaat en ontstaan is door veranderingen in ultrabasische eruptieve gesteenten.

Sferoliet
Aggregaat waarin naaldvormige kristallen tot een waaier gerangschikt zijn.

Sicula
Embryonale cel waaruit alle andere structuren van de graptolietenkolonie voortkomen.

Silicificatie
Verzadiging van een gesteente met kwarts.

Siltsteen
Een gesteente opgebouwd uit siltafzettingen.

Sinus
Bij gastropoden een inbochting van de mondrand.

Sipho
Tot een buis vergroeide rand van de mantel die bij slakken dient om ademwater in te nemen, bij tweekleppigen is de sipho in tweeën gedeeld om in- en uitkomend water te scheiden. Bij cephalopoden loopt de sipho als streng door alle kamers en kan daarin gas- en waterdruk veranderen.

Siphokanaal
Bij cephalopoden een buisvormig kanaal dat als voortzetting van de mantel de kamers van het phragmocoon met elkaar verbindt. Bij slakken de gootvormige uitstulping van de mondrand waardoor de sipho wordt geleid.

Skarn
Gesteente, bestaande uit kalksteen en silicaten, dat ontstaat uit carbonaten die in aanraking komen met magma.

Sklerenchym
Bij kolonievormende koralen de kalkstructuren die tussen de thecae in zijn gevormd en het kolonieskelet bijeenhouden.

Slot
Bij tweekleppigen en brachiopoden het scharnier waarmee de kleppen samenhangen.

Slotplaat
Bij tweekleppigen het gedeelte van beide kleppen waarop de tanden staan, bij brachiopoden alleen het deel van de armklep waarin de tandholten liggen.

Slottanden
Scharnierende uitsteeksels binnen de kleppen van tweekleppigen en brachiopoden.

Solfatare
Uitstoting van stoom en vulkanische gassen met een temperatuur van 100 tot 200°C.

Somiet
Een volledig segment bij crustaceeën.

Soortelijk gewicht (soortelijke massa)
De verhouding van het gewicht (massa) van een stof tot het gewicht (massa) van een gelijk volume water.

Spicula
Skeletnaald die het weefsel van sponzen verstevigt, ook sponsnaald genoemd.

Spintepel
Klierorgaan dat spindraad afscheidt.

Spira
Alle windingen behalve de laatste winding bij een gespiraliseerde schelp.

Spits
Scherp uitsteeksel of centrale punt aan een tandelement van o.a haaien.

Splijtbaarheid
De neiging van een kristal om in een bepaalde richting te splijten, welke richting evenwijdig loopt aan een mogelijk kristalvlak.

Spoelzandwaaier
Breed alluviaal bekken, door het afzetten van sedimenten van smeltwaterstromen gevormd.

Squamosum
Een van de schedelbeenderen, dat zich bij veel gewervelde dieren achter het oor bevindt.

Steel
Een met cuticula bekleed aanhangsel waarmee brachiopoden zich aan het substraat hechten.

Steelklep
De ventrale klep van een brachiopode, waarin zich de steelopening bevindt.

Steenkern
Een afdruk van de binnenzijde van een organisme, waarbij alleen de vorm is behouden, niet de structuur.

Steltwortel
De luchtwortels die bomen zoals mangroven mede ondersteunen.

Steppekalk
Met kalk verrijkte bodem waardoor deze aaneengekit wordt.

Sterniet
De ventrale plaat van een segment bij geleedpotigen.

Stipe (mv. Stipes)
Tak waarop de individuen van de kolonie zich bevinden bij graptolieten.

Stollingsgesteente
Gesteente door afkoeling en stolling van magma ontstaan.

Streep
Streek of afstrijkkleur genoemd; het is de kleur van een mineraal in poedervorm, die men verkrijgt door met het mineraal een streep te trekken op een stukje ongeglazuurd porselein.

Stromatoliet
Een op een rif lijkende levensgemeenschap, door blauwgroene algen en bacteriën opgebouwd.

Subfossiel
Geconserveerde resten of sporen van vroeger leven, minder dan 10.000 jaar oud.

Substraat
Oppervlak van het sediment of gesteente waarop planten en dieren leven.

Sulcus
Groeve, verdiept gedeelte van het buitenoppenvlak van een brachiopodenklep. Zie ook: Plia.

Supergeen proces
Secundair proces dat inwerkt op afzettingen die door atmosferische invloeden (neerslag, wind enz.) ontstaan zijn.

Sutuur
Raaklijn tussen opeenvolgende windingen van een gespiraliseerde schelp.

Sutuurlijn
Lijn waarlangs septum en schelpwand aan elkaar vastzitten bij nautiloïden en ammonoïden, bij fossielen vaak een belangrijk determinatiekenmerk.

Symbiose
Vorm van samenleving tussen twee organismen tot wederzijds voordeel.

Symphyse
Het vergroeide raakpunt aan de voorzijde van de twee onderkaakhelften.

Syeniet
Diep gesteente zonder kiezelaarde waarin kaliveldspaat de overhand heeft op plagioklazen.

Syncline
Komvormige plooiing van gesteentelagen.

 

Tabula
Horizontale plaat als etage in de theca van koralen.

Talonid
Het achterste gedeelte van een onderkaaksmolaar bij een aantal zoogdieren.

Tandbeen
(Dentine), beenachtige substantie waaruit het grootste gedeelte van een tand bestaat.

Tektoniek
Studie van de voornaamste structurele kenmerken van de aardkorst. De term wordt ook gebruikt als aanduiding voor de algemene structuur van een gebied.

Telson
Laatste achterlijfssegment bij crustaceeën met anus en vaak met stekels.

Tethyszee
Een oude zee die zich uitstrekte tussen Europa en Oost-Azië.

Thallus
Een plantelichaam dat uit een cel bestaat of uit een complexe veelcellige structuur.

Theca
Bij graptolieten het chitineuze huisje van een individu uit de kolonie; bij koralen het buisachtige kalkskelet van een individu.

Thermoluminescentie
De uitzending van licht door een stof na verhitting (minder dan rode gloeihitte).

Thorax
Bij bepaalde geleedpotigen het middelste van de drie hoofdonderdelen van het lijf, het borststuk; bij gewervelden de borststreek.

Till
Niet-verharde glaciale afzetting. Voorbeeld: keileem.

Tracheïde
Een langwerpige plantecel met verdikte, secundaire wanden.

Trachiet
Eruptief gesteente datwat de samenstelling betreft overeenkomt met syeniet.

Tuberkel
Een knobbel of verhevenheid.

Tuf
Vulkanische as dat mettertijd hard geworden is.

Tweelingkristal
Een kristalvorm die eruit ziet of twee of meer kristallen tegen elkaar (contacttweelingen) of ineen zijn gegroeid zodanig dat de afzonderlijke kristalvormen symmetrisch ten opzichte van elkaar zijn samen- of ineen gegroeid.

 

Uitwendig skelet (exoskelet)
Een skelet dat de zachte delen van het lichaam beschermt, meestal aangetroffen bij ongewervelde dieren. Voorbeeld: insekten.

Ulna
Bij gewervelde dieren een van de onderarmbeenderen, de ellepijp.

Ultrabasische gesteenten
Eruptieve gesteenten die minstens 44% SiO2 bevatten. Deze gesteenten bestaan voornamelijk uit olivijn, pyroxeen, amfibool, biotiet.

Umbilicus
Navel, open ruimte aan de onderzijde van een gespiraliseerde schelp.

Umbo
Wervel, het hoogst gelegen deel van de klep bij tweekleppigen en brachiopoden.

Uropode
Aanhangsel van het laatste achterlijfssegment bij crustaceeën, meestal waaiervormig.

 

Veldspaten
De belangrijkste groep aluminosilicaten.

Ventraal
Aan de buikzijde gelegen.

Vertebraten
Gewervelde dieren (Vertebrata).

Vetvin
Een omgevormde, vlezige rugvin van een vis.

Voet
Bij weekdieren het gespierde kruip- of graaforgaan dat de basis vormt van het dier.

Voedselketen
Reeks planten en dieren die in de zin van eten en gegeten worden met elkaar verbonden zijn.

Voedselweb
Gecompliceerd netwerk van voedselketens binnen een ecosysteem.

Voorjaarshout
Een deel van een jaarring dat voornamelijk in het groeiseizoen van de plant wordt aangelegd.

Vormgenus
Een genus waartoe meerdere vergelijkbare soorten behoren, die echter niet verwant hoeven te zijn.

Vruchtblad
Een gemodificeerd blad dat geassocieerd is met de voortplantingsorganen van planten.

 

Waterkolom
Diepte van het water van de waterspiegel tot de bodem.

Wervel
(Vertebra, mv. Vertebrae) Een been uit de reeks dat deel uitmaakt van de wervelkolom bij vertebraten. Bij tweekleppigen en brachiopoden het hoogst gelegen deel van de klep, de umbo.

Wervelcentrum
Het centrale deel van een wervel.

Winding
Een complete omgang bij gespiraliseerde schelpen.

Xenolieten
Wezensvreemde insluitingen in een ander gesteente.

Xiphiplastron
Een gepaarde beenplaat van het buikschild van schildpadden.

Momenteel komen in de Geo-Lexicon nog geen woorden met deze letter voor.

Zandsteen
Een grofkorrelig gesteente dat voor het grootste deel bestaat uit kwarts.

Zeolieten
Groepen van gehydrateerde alumino-silicaten.

Zijknobbel
Een kleine knobbel of spits aan een tandelement.

Zooëcium
Huisje van een zooïde bij mosdiertjes.

Zoogdier
Gewerveld dier uit de klasse der zoogdieren, warmbloedig, meestal levendbarend, dat de jongen zoogt.

Zoogdierachtige reptielen
Benaming voor een groep reptielen waaruit uiteindelijk zoogdieren zijn ontstaan.

Zooïde
Individu van een mosdierkolonie.

Zure gesteenten
Eruptieve gesteenten die meer dan 65% SiO2 bevatten.

Zwaard
Hoornachtig inwendig skelet van pijlinktvissen.